Dit scoot niet op

9-Boodschappen-scootmobiel

De vrouw in de scootmobiel is met veel moeite van de ene naar de andere kassa gelaveerd. Op advies van de kassière aan de “smalle” kassa. Als de vrouw haar voertuig bij de “brede” kassa heeft gepositioneerd zegt de kassière: Maar uw bóódschappen moeten aan déze kassa.

Ziet dat wicht niet dat de vrouw in een schootmobiel zit? Daar zit ze zeker niet voor niets. Terecht moppert de vrouw dat de winkels in onze *storp nauwelijks zijn aangepast aan scootmobielrijders. Ze zit er een beetje hulpeloos bij; de met pijn en moeite door haar verzamelde boodschappen onhandig op haar schoot.
Daar glijdt het pakje papieren zakdoekjes  de vloer op. Ik hef mijn hand met daarin het pakje tissues. Ik zou er zo eentje uit willen halen om denkbeeldige tranen mee weg te wissen.
Het meisje aan de smalle kassa geeft geen krimp, haar achterste lijkt met bizonkit aan haar stoel geplakt.
‘Zal ik de boodschappen voor u op de band zetten, mevrouw?, vraag ik voorzichtig.
’Nou graag,’ glimlacht ze me toe.

Na gedane arbeid kijk zet ik mijn eigen boodschappen op de band. Nadat de vrouw heeft  betaald (ze heeft van de kassière nog wel een plastic zakje gevraagd én gekregen) kijkt ze even opzij. Ze knikt me toe en zegt: ‘Het is uiteindelijk toch nog goed gekomen.’

Voor mij is deze conclusie het understatement van het jaar.

*Storp = in mijn woonplaats een tussenvorm tussen een  stad en een dorp

Geplaatst in Boeken, proza en poëzie, columns, literatuur, persoonlijk, proza | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Chrit Rousseau / Frans Budé: THUISKOMEN

 

20160713_115948-1.jpgin een verborgen schuur ligt nog wat zon van toen
Tekst op een plavuis in het Museum aan het Vrijthof
20160713_181116-1Afrikaanse vrouw met kip

Museum aan het Vrijthof eert de Maastrichtse kunstenaar Chrit Rousseau, vanwege het behalen van de 75-jarige leeftijd, met een overzichtstentoonstelling. De schilderijen en schetsen die de kunstenaar tijdens zijn buitenlandse reizen maakte staan centraal in deze expositie. Bekend en nieuw werk wisselen elkaar op verrassende wijze af. Rousseau staat bekend om zijn beweeglijke en vooral kleurrijke manier van schilderen en schetsen. Hij tekent bij voorkeur mensen in hun natuurlijke pose en portretteert wat zich in zijn omgeving afspeelt. Via zijn kleuren uit de kunstenaar zijn gevoelens. Zo schilderde hij een clown in felrode en -gele tinten, waarmee hij de angst voor een naderende operatie wilde verbeelden.
De Maastrichtse dichter Frans Budé schreef voor de werken enkele gedichten, te lezen in de expositiezalen.

20160713_140629.jpgWe komen met de regen. Op het Vrijthof passeren we de voorbereidselen voor buitenlucht-optredens van André Rieu. In het museum  worden we aangesproken door één van de gastvrouwen van het museum. Al snel heeft ze onze volledige aandacht. Ze vertelt ons o.a. dat de kunstenaar vandaag aanwezig is, we zullen hem in de ruimtes wel tegenkomen. Al snel kunnen we aansluiten bij een groepje.
De kunstenaar vertelt over zijn werk, bijvoorbeeld dat hij soms in series werkt: eerst een schets, vervolgens  een tekening  én daarna een schilderij met hetzelfde onderwerp.

collage oude manOude man in India

Treffend bij dit onderwerp is de suggestie van het kleed van de man. Als wij de kunstenaar vertellen dat ons dit is opgevallen schaart hij dit onder “de kunst van het weglaten.”

Bij dit onderwerp schreef Frans Budé een gedicht.

20160713_122544Drieluik Kruisherenkerk, 2000

Een opdracht van de Gemeente om sponsoring bij de verbouwing te bevorderen.
Volgens de kunstenaar symboliseert de druipende verf dat de kerk “under construction” is.

20160713_125832-1Vasteloavend, met gedicht van Frans Budé

20160713_125840-1-1.jpg

20160713_120955-1Papavers (van een tweeluik), 1997
20160713_120940-1
Anemonen, 1998
Gezondheidszorg in Tibetgezondheidszorg in Kenia

Er is nog veel meer moois te zien in deze tentoonstelling, die ik van harte kan aanbevelen. Niet in de laatste plaats vanwege de gedichten van Frans Budé.

20160713_132302-1-1.jpgAls we na afloop in het Grand Café wat eten treffen we daar opnieuw de kunstenaar. Op verzoek zet hij een handtekening op de afbeelding van één van zijn schilderijen: De Afrikaanse vrouw draagt in de ene arm haar zieke kind. In de andere houdt zij een kip, honorarium in nature voor de geneesheer.

We gaan met de regen. Passeren opnieuw de voorbereidselen voor het concert van André Rieu. Onze hoofden vol indrukken. Daar is geen ruimte voor klank, behalve dan die van de kleuren die nagalmen in ons hoofd.
We haasten ons niet alleen vanwege de regen; nog vóór het muziekspel zijn we de stad uit.

Museum aan het Vrijthof, Maastricht
12 juni – 31 augustus 2016

Informatie/teksten: Museum aan het Vrijthof
Gedicht: Frans Budé
Overige teksten: Ingrid van den Bergh
Foto’s: Harry Muermans en Ingrid van den Bergh.

Geplaatst in beeldende kunst, Cultuur, literatuur | Tags: , , , , , , | 6 reacties

Blond

De natuurlijke kleur van mijn haar kan je gerust gemengd noemen. Aan de voorkant mooi licht, zilver bijna. De rest een mengelmoes van grijs tot een ondefinieerbaar bruin. Lelijk dus.
Een hele uitdaging voor mijn kapster en heel spannend voor mij.
Om het resultaat te vieren zet ik hier mijn eerder geschreven verhaal “Blond” voor jullie neer. Een enkeling heeft het misschien al gelezen, maar na enig herschrijven is het toch weer nieuw. Nét als mijn hoofd.

20160606_165053-1-1-1Het meisje achter de boodschappenband begint rood aan te lopen. Al minstens twee minuten probeert ze het probleem op te lossen: een vastgelopen kassa. Uiteindelijk grijpt ze de intercom: ‘Attentie, mijnheer Pieters, kassa vier alstublieft!’

De bedrijfsleider, klein van stuk, zwart geverfd haar, onderscheidt zich van het overige personeel door zijn bruine pak en dito stropdas. Met zijn enorme buik wringt hij zich voor het meisje langs om het probleem te verhelpen. Zijn gezicht in de plooi van belangrijk.
‘Dat mag nu toch niet meer voorkomen, je werkt hier onderhand al een jaar.’
‘Ik zal de volgende keer beter opletten, mijnheer Pieters.’

‘Dat is je geraden.’
Met één oog op het meisje, het andere op mij, geeft Pieters nog een sneer na: ‘Maar ja, blond, hè.’ Haar blos verspreidt zich door de winkel. Het meisje is er zich zichtbaar van bewust, dat de opmerking van haar chef geen verwijzing is naar een lekker potje bier of een bekend merk serviesgoed. Naar mijn smaak hebben we hier van doen met een schoolvoorbeeld van belediging, in dit land gehuldigd vanwege de vrijheid van meningsuiting.

Pieters haalt een sleutelbos tevoorschijn, rommelt wat aan de kassa. ‘Goed kijken’ voegt hij het meisje toe, ‘zó doe je dat, piece of cake.’ De hele rij achter de kassa kan meegenieten van zijn egotrip.
Ik zet mijn volle boodschappentas in de kar en haal mijn pinpas tevoorschijn. Pieters staat nog wat te dralen, op zoek naar een volgend slachtoffer zo lijkt het. Dan laat hij zijn sleutels vallen, in mijn volle shopper.
Ik doe een stap in zijn richting, kijk op hem neer terwijl ik een haarlok om mijn vinger draai. ‘Blond zei je toch, hè!’ De man moet op zijn tenen staan om mij aan te kijken. Zijn varkensoogjes proberen indruk op me te maken. Ik geef geen krimp, mijn gezicht in de plooi van Kom maar op. Ik schuif de tas in zijn richting en wijs op de inhoud. Pieters verbergt zijn gemoedstoestand achter een uitgebreide inspectie van mijn koopwaar; uit zijn eigen nering.
‘Daar liggen ze’, grijns ik, ‘dáár, tussen de asperges en de aardbeien.’ Zijn worstvingers graaien; ik ruik zijn zweet.

De weg naar mijn fiets leidt langs het winkelraam. Breder dan hij lang is staat daar de bedrijfsleider mij na te kijken. Niet gehinderd door een gezonde dosis leedvermaak zwier ik mijn boodschappen omhoog  om ze in de fietstas te laden. Dan zakt de shopper door zijn hengsel; ik hoor de knal van mijn fles olijfolie op het trottoir.

Zo snel ik kan prop ik alles in de fietstas en stap op. Ik moet nog een keer langs dat raam. Mijn rechtervoet schiet van de trapper, de fiets slingert van links naar rechts, ik houd hem maar nauwelijks in bedwang. Ik voel zijn ogen in mijn nek, het leedvermaak dat van hem afdruipt. Eindelijk is daar de bocht van de weg. Ik recht mijn rug. In alle vrijheid spui ik, hardop, mijn mening over mijn eigen gezichtsverlies. Mijn wangen warm, mijn gezicht in de plooi.

Geplaatst in columns, literatuur, persoonlijk, proza | Tags: , , , , , | 2 reacties

Uitvlucht

Koolmeesje 068
Al meer dan twee uur is het gaande: ín het kooitje, úit het kooitje; erin; eruit. Vanachter het raam zijn we hele circus aan het volgen. Al urenlang vliegen de mezenouders áf- en aan, met sappige wormen bungelend tussen de snavel. We weten dat het jonge grut nu elk moment de nestkast kan verlaten.

IMG-20160518-WA0007Mijn metgezel is buiten op een stoel gaan zitten, fototoestel in de aanslag. Zelf volg ik de verrichtingen van de mezenouders vanachter het raam. Mijn armen doen pijn van het ophouden van de verrekijker; mijn ogen tranen van het turen naar het nestkastje aan de schutting. Daar komt een van de ouders aangevlogen, in zijn snavel een groene rups. De vogel steekt zijn kop in het gat van het kastje, trekt hem dan snel terug. Dit herhaalt hij een aantal keren. Uiteindelijk geeft hij het jong waar het zo hartstochtelijk om piept en gaat op weg naar de volgende gang in het menu.

Koolmeesje 043

Het jong krijgt zoveel te eten dat we ons hart vasthouden; straks past het niet meer door het gat.

Aan de frequentie van het áf- en áanvliegen kan ik zien dat de ouders elkaar afwisselen. Nu eens heeft het jong zich teruggetrokken op het nest, dan weer steekt het zijn kopje uit de opening en roept, zoals het gebekt is, om zijn moeder. Soms kan ik door de opening van het kastje de schijnbewegingen van zijn vleugels zien.
Koolmees 2 011
Daar verschijnt het jong weer in de opening. De ouders werken zich in het zweet, lokken hun gebroed met gepiep en culinaire hoogstandjes. Maar het jong blijft zitten waar het zit.

Zo’n anderhalf uur later durft het dan eindelijk de sprong te wagen.  Samen met zijn vader of moeder verlaat het vliegensvlug het nest. Het is onmogelijk  dit met de camera vast te leggen.
De ouders gaan door met hun missie, kennelijk zit er nog een nakomeling op het nest.

Terwijl ik dit stukkie zit te schrijven kijk ik af en toe door het raam. We zijn het tafereel intussen al bijna vier uur aan het volgen. Met aanmoedigingskreten leef ik met het gezinnetje mee: – kom op, wees een vent, een grote meid. Je kunt het. Nee, niet terug op het nest, úitvliegen moet je.

Koolmeesje 031

Het jong intussen doet niet veel meer dan wat een nieuwsgierige puber betaamt: een stukje naar buiten hangen, over de rand kijken en twitteren. Zijn snavel wijd open:
– Wat is die wereld groot!

De ouders vinden het intussen welletjes.  – Wat een rotjong, zeggen ze tegen elkaar. – Wat een verwend nest. We gaan gewoon niet meer naar binnen, dan móet hij wel uitvliegen.
Koolmeesje 067

 

Demonstratief zetten ze zich om beurten op de schutting neer. Als een kievit lopen ze, luid piepend, heen en weer, de snavel gevuld met vette hap. Koolmeesje 029Maar het jong lijkt doof als een kwartel.

Dan maar voor de opening gaan hangen en  met een worm het jong naar buiten lokken. Met voor- en achterwaartse bewegingen van hun kopjes lijkt het of ze het beestje eruit willen trekken.  Even later gaat één van de twee  het kastje binnen en probeert het jong naar buiten te duwen. Wat een geëmmer; duwen en trekken, het helpt de pechvogels geen ene mezenmoer.

We krijgen geen rust. Met één oog op het aanrecht en het andere op het raam maak ik een late avondmaaltijd klaar. Na het eten moeten we nog steeds onze aandacht verdelen tussen onze eigen belangen en die van de vogels. Als de schemering onze blik vertroebelt geven we het dan toch maar op.

IMG-20160519-WA0004

De volgende dag zijn we, samen met veel andere vroege vogels, nog vóór de wekker afloopt uit de veren. Zou het jong… zou het? We spoeden ons naar het raam. Het is en blijft rustig rondom het nest. Hebben we dan toch het moment suprême gemist?
Ochtendkou en –dauw trotserend loopt mijn metgezel de tuin in. Stil als een muis besluipt hij de nestkast. Geen vleugelslag, geen gepiep. Geen mezenouders, geen wormen of rupsen. Nu durft mijn lief het kastje te openen; de vogel is gevlogen. Maar niet voordat hij nog een laatste poepje op zijn nest heeft achtergelaten.

Tekst: Ingrid van den Bergh, 20 mei 2016
Foto:s Harry Muermans

Geplaatst in dieren, fotografie, Huis en tuin, literatuur, Natuur en Milieu, proza, Verhalen | Tags: , , , , , , , , | 1 reactie

Roni Horn in Museum De Pont

20160508_115125-1Bij binnenkomst vertelt een zaaltekst dat Roni Horn, geboren in 1955 in New York, gebruik maakt van uiteenlopende media. Behalve beelden en installaties in metaal en glas maakt ze tekeningen, foto’s en boeken. Het museum heeft voor deze tentoonstelling het accent gelegd op werk dat de laatste tien jaar is ontstaan.
Roni Horn zet zich in haar werk uiteen met haar eigen identiteit. Ze doet dit o.a. in een serie portretparen uit alle fases van haar leven. Uit de folder van het museum: “Zelf omschreef ze het onlangs zo: ‘Androgynie is niet twee dingen, het is alles bij elkaar. Het is synthese […]. Het is een toestand van integratie’.”
Je zou het ook een “toestand van zijn” kunnen noemen. Dat is tenminste een interpretatie die bij een dergelijke duiding spontaan bij me opkomt.

20160508_111050Wij komen vooral voor de glassculpturen en de foto’s. Tegen onze gewoonte in bekijken we de tentoonstelling niet in volgorde van opbouw maar lopen we, bij opening van het museum, meteen door naar de glasobjecten. Deze zijn in een aparte ruimte geplaatst. Nu er nog geen mensen rondlopen kunnen we dit kunstwerk in alle rust bekijken en zien hoe het een dialoog aangaat met de ruimte, het licht en met onszelf.

De Pont 001De synthese, zo kenmerkend voor Horns staat van zijn, lijkt hier een kunstzinnige uitingsvorm te hebben gekregen. De kunstenaar immers had, over de positionering van de verschillende objecten of over een compositie ervan, geen vooropgezet plan. Roni Horn heeft zich ter plaatse laten leiden door haar gevoel. Ongetwijfeld is daarbij een synthese van het moment, de ruimte en het licht een voertuig geweest.

Wat dat laatste betreft zal het in deze ruimte nooit hetzelfde zijn. Bijvoorbeeld in de avonduren, zo vertelt ons de suppoost, als het daglicht is uitgestorven. Er wordt dan in deze ruimte geen kunstlicht ontstoken, maar de kunstwerken leven op met hulp van het licht uit de ruimtes rondom.

De serie portretparen is aangebracht
op een schuin lopende wand tegenover de wolhokken

20160508_114652

De steeds nauwer wordende gang die op deze wijze is ontstaan
komt uiteindelijk uit bij de ruimte met de glassculpturen.

20160508_122215-1-120160508_122249-1
Over de foto’s lees ik in de folder: “Met haar kortgeknipte grijze haar, brilletje, wit overhemd en t-shirt oogt ze niet uitgesproken mannelijk of vrouwelijk. […]” “Deze reeks foto’s toont openhartig hoe de kunstenaar (also known as Roni Horn) uitgroeide tot de androgyne persoonlijkheid die zij nu is en – stel je met terugwerkende kracht vast – eigenlijk altijd is geweest.”

 

De Pont 003Met mijn beschouwing over ons bezoek aan deze tentoonstelling ben verre van volledig. Er is in De Pont immers veel meer van deze kunstenaar te zien. Ik wilde niet verzanden in teveel informatie, zodat er nog wat te beleven overblijft. Nog wat te verwonderen. Want dat is wat je doet bij een tentoonstelling met werk van Roni Horn. Je verwondert je over haar veelzijdigheid, haar creativiteit. Verwondering die begon bij de kunstenaar en die ze deelt met wie naar haar werken kijkt. Daar begint voor mij het tweede leven van het kunstwerk, daar waar de verbeelding van de kunstenaar wordt gedeeld met de verbeelding van de beschouwer.

Museum De Pont
Looptijd expositie 23 januari – 29 mei 2016
Openingstijden: dinsdag – zondag van 11.00 – 17.00 uur.
Tekst: Ingrid van den Bergh (gedeeltelijk uit informatie Museum De Pont.
Foto’s: Harry Muermans, Ingrid van den Bergh.
Geplaatst in beeldende kunst, De Pont, fotografie, literatuur, proza | Tags: , , , , , , | 12 reacties

Doe eens normaal

Ik heb iets tegen het woord trend, maar in aanloop naar de feestdagen vliegen trends en rages je meestal om de oren. Zo ook in deze eindejaarstijd, getuige een artikel in mijn krant. Deze keer is het niet de kleur van de ballen, maar is de kersttrui onderwerp van gesprek, een trui die er “sluipenderwijs aankomt” zoals ik lees.

Koeman in afgrijselijke kersttrui
Koeman in afgrijselijke kersttrui

Nadat er wat open deuren zijn ingetrapt over hoe zo’n trui er uit dient te zien (“kleur groen of rood”, “voorzien van kerst- of wintermotieven” en “ingebreide teksten als ‘Merry Christmas’”) volgt de opmerking dat deze trui het hele jaar door kan worden gedragen. Dat wordt puffen bij 30 graden boven nul. De trui voldoet aan een aantal tendensen (mijn tijdelijke vervanging van het woord ‘trends’); van ‘Het Nieuwe Normaal’ (dus niet het oude met Benny Jolink) tot ‘warme winterbreisels en duurzaam design’. Ze gaan immers ‘nooit uit de mode’.

 

Haute coutureontwerpers (volgens mij mogen ‘ couture’ en ‘ontwerpers’ aan elkaar van het Groene boekje aangezien de e en de o geen samengestelde klank vormen behalve dan in de afkorting van die ene omroep) Victor en Rolf ontwierpen dit jaar ook een kersttrui, die volgens Jense ‘aan de basisvoorwaarden’ voldoet. Zo is deze in blauw, wit en rood uitgevoerd. Voor mij een goed foute trui, want laat ik de kleur blauw nu totaal niet associëren met het kerstfeest! Nee, doe mij maar groen en dan liefst vers. De V&R-trui is voorzien van heuse sneeuwvlokken en steigerende Rednosed Rudolphs (100 euri per neus). De partners in crime maakten er een ‘lief filmpje’ bij (voor zover een filmpje al lief kan zijn). Voor 480 eurootjes heb je nu dus je eigen design-kersttrui en hoef je niet te raden hoeveel rendieren er op staan. Blijft voor mij de vraag hoe ik mij nou in zo’n kledingstuk hijs zonder mij uit te leveren aan rage-, mode- danwel trendvolgen.

‘Normaal’ met ‘Mooi bedankt’

Bron: Artikeltje in Dagblad DeStem va 29 november 2014, door Lindy Jense.
Afbeelding Ronald Koeman: van Internet gehaald en bewerkt in Picasa.
Geplaatst in Beeld en Geluid, Boeken, proza en poëzie, columns, Cultuur, kerst, literatuur, muziek, poëzie, proza, proza & poëzie, proza en poëzie | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Koppig lied

Simeon ten Holt

Simeon ten Holt

Op de sterfdag van Simeon ten Holt, vandaag een jaar geleden, wil ik het met jullie hebben over Canto Ostinato, een van zijn composities. Canto Ostinato betekent letterlijk Koppig Lied. Dat is ook de titel van een gedicht dat ik vorig jaar,  ter gelegenheid van Gedichtendag, een aantal keren heb voorgedragen, begeleid door fragmenten van deze muziek.
Voltooid in 1976, werd ‘De Canto’ aanvankelijk gespeeld op vier vleugels. Later pasten musici ook andere instrumentcombinaties toe. Het werk wordt gerekend tot de minimal music, in de muziek gekenmerkt door een strenge vorm met weinig versieringen over het thema. Het accent ligt op samenklanken en een vast tempo, herhaling van vaak korte motieven en variaties daarop. De compositie is onderverdeeld in sessies die vloeiend in elkaar overgaan. Uiteindelijk ontstaat er een melodie.

Canto Ostinato was in die tijd niet bij iedereen geliefd. Uiteindelijk begonnen uitvoerenden met de muziek te experimenteren. De componist staat immers toe dat iedere uitvoerende zelf kiest voor variaties, en herhalingen kan toepassen die eindeloos kunnen worden uitgerekt. De totale lengte kan dan ook per uitvoering verschillen. Maar Ten Holt stelde ook grenzen: Legato, staccato, allemaal prima, maar aan ritme en metrum mag niet worden getornd. Het werk verdraagt ook geen regisseur binnen de groep van uitvoerenden. Alles draait om communicatie, een sociaal spel van elkaar uitdagen en op een subtiele manier accenten aangeven. Ten Holt noemt zo’n uitvoering “een sociale gebeurtenis waarbij de communicatie tussen de musici fascinerend is om naar te kijken maar ook heel spannend voor de uitvoerenden zelf.”

Elke keer als ik Canto Ostinato beluister ontdek ik iets nieuws. Verschillende melodielijnen klinken gelijktijdig; door mij nu eens op de ene en dan weer op de andere melodie te concentreren beleef ik de muziek steeds weer anders.

In mijn gedicht Koppig lied, waarvan ik hieronder een bewerking geef, heb ik gezocht naar woorden die de muziek van Simeon Ten Holt benaderen en de vorm, het ritme, de inhoud en de zeggingskracht van de compositie onderstrepen. Woorden bij muziek die zich in mij heeft vastgebeten om niet meer los te laten. Koppig als zij is.

 

Klanken rollen aan als branding
schuimen op en af
wachten op een kust te breken
motieven herhalen

glijden glooien rollen en rollen maar door
tollen rond en rond op die rotonde zonder stoplicht

vooruit is achteruit is vooruit
geen einde geen begin
eigenzinnig en opstandig lied ostinato

volg het gepingel volg de drieklank volg de lijnen volg het frivole
hartslag van de tijd danst naar de pijpen van dit lied
tijd die wordt onttrokken aan de tijd

canto voert de boventoon
zingt voort rolt af en aan
hecht en claimt en kleeft aan oren
aan mijn ziel en zaligheid die meer  en meer  en meer  en meer wil horen

klankvelden zwellen aan
parelen mij naar de keel springen tranen in mij op
verzadigen mij
vinden taal
spreken
mijn
taal

staccato legato cadanst in het keurslijf van de componist
tergen sarren sussen sussende duivelskunst

rijst en daalt herhaalt bedwelmt zweept op hypnotiseert
niet kan stoppen niet vertragen
niet    wil    wachten

hartslag gelijk aan die van mij jaagt op een melodie
hartslag gelijk aan die van mij
aan die van mij aan die van mij
boem boem boem  boem
boem boem boem boem
hartslag gelijk aan die van mij
hartslag van de tijd

Tekst: Ingrid van den Bergh
Muziek: Vier secties uit Canto Ostinato, gespeeld op 2 vleugels door Jeroen en Sandra van Veen

.

Geplaatst in Boeken, proza en poëzie, literatuur, muziek, poëzie, proza, proza & poëzie, proza en poëzie | Tags: , , , , , , , | 4 reacties