19 April, Dag tegen pesten



Mijn vorige blogbijdrage was het verhaal  ‘Vijf dagen per week.’ Onderwerp is een leraar op mijn Muloschool, die door de leerlingen werd gepest.
Onlangs heb ik, ter gelegenheid van de ‘Dag van de Stem’, het verhaal voorgelezen in mijn geboorteplaats Roermond (waar het zich ook afspeelt). Speciaal voor die gelegenheid had ik de inhoud en de titel (‘Een stem in kinderschoenen’) aangepast.

Tijdens de ‘Dag van het  Stem’ heb ik ook onderstaand gedicht voorgedragen.

Oude muren

Ze telt gevallen eikels op het plein
in uithoeken die haar zijn toegewezen
de zomer taant en herfstkleur
talmt zijn tijd vooruit

Haar klasgenootjes hebben van haar zijn
zich afgekeerd, zij heersen over spek of bonen
in bijtende bewoordingen die zij
tussen nul en negen jaren hebben aangeleerd

Ze bouwt  kastelen op uit zand
tekent haar wereld tot buiten de muren
en telt gevallen eikels langs de kant

Haar blik trekt aan een wenkbrauw zich omhoog
naar waar zij samenscholen, complotteren
Schimpscheuten wil zij van zich weren
in uithoeken die haar toebehoren

Op het schoolplein taant de zomer
wind verspreidt het laatste zand
Hoe lang nog volharden oude muren
in hun zwijgen?

Nabeschouwing

In de jaren zestig van de vorige eeuw waren er op scholen nog geen anti-pestprogramma’s. Er waren geen instanties waar radeloze leraren konden aankloppen voor hulp. Zij droegen hun lot in zwijgzaamheid. Elke morgen opstaan zodra het ochtendlicht meedogenloos hun slaapkamer binnendrong. Opstaan, aankleden en de weg naar school gaan. Vijf dagen per week.
In die tijd sprongen leraren niet van daken. Al wisten zij dat oude gewoontes zouden worden doorgegeven met elke nieuwe lichting leerlingen. Dat niemand dit zou stoppen. Geen hoofd van de school. Geen groetend tienermeisje in de klas.
In de eenentwintigste eeuw worden kinderen en volwassenen geconfronteerd met een nieuwe manier van pesten. Nu ons sociale leven zich deels online afspeelt is het gemakkelijker geworden om mensen, ten overstaan van een wereldwijd publiek en vaak anoniem, te beschadigen. Dreigmails, schelden in de chatruimte, negatieve Whatt’s appberichten, Sexting en Grooming, het hacken van andermans identiteit. Nieuwe fenomenen waarvan de benamingen moeiteloos hun weg naar de dikke VanDale zullen vinden.
Zoals we onlangs nog hebben gezien wordt er ook niet teruggedeinsd voor fysiek geweld. Plegers hiervan pretenderen zich een oordeel aan te kunnen meten over de geaardheid en levenswijze van de medemens. Wij Nederlanders noemen onszelf tolerant en tot op zekere hoogte zijn we dat ook wel. Maar met tolerantie alleen zijn we er niet, zolang daar geen acceptatie aan ten grondslag ligt.

Op 19 april wordt, tijdens de Landelijke Dag tegen Pesten, speciaal stilgestaan bij pesten en de gevolgen daarvan. Slachtoffers  kunnen voor hulp een beroep doen op het ‘protocol digitaal pesten’ van het Nederlands Jeugd Instituut N J I, dat handreikingen biedt voor leraren in het middelbaar onderwijs om digitaal pesten effectief aan te pakken.
Slachtoffers van alle vormen van pesten krijgen meer en meer een stem. Een stem in kinderschoenen, dat nog wel. Een stem die nu nog schuchter klinkt en vaak te laat. Een stem ook die ons hoop geeft en uitzicht op een toekomst waarin kinderen en volwassenen veilig zijn en niet worden gechanteerd.
Een toekomst waarin kinderen op het schoolplein samen spelen en leraren niet meer van daken springen.

Ingrid van den Bergh
Maart 2017

Geplaatst in columns, Cultuur, literatuur, persoonlijk, Pesten, poëzie, proza, proza & poëzie, proza en poëzie, Verhalen | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Vijf dagen per week

20170216_143128-2

Vanmorgen las ik in de krant weer eens een artikel over pestgedrag onder jongeren. Onverwacht dringen oude beelden zich aan mij op. Mijn eerste schooldag als 13-jarige op de MULO aan de Kloosterwandstraat in Roermond. Een school uitsluitend voor meisjes.
Leraar geschiedenis is meneer P., een lange, gebogen man in een muisgrijs pak met borstelig haar. Daaronder zachte, droevige ogen.
‘Hoe vind je hem?’ vraagt het meisje naast me. Ik weet niet goed wat ze van me wil horen.
Nog voordat alle geschiedenisboeken op de lessenaars liggen klinkt er een zacht maar indringend “ping” door het lokaal. “Pinggg, pinggg, pinggg.” Al snel leer ik waar het geluid vandaan komt, zie de kopspelden gestoken in de scharniertjes van lessenaars. Treiterende meisjesvingers brengen ze tot zingen. Drijven de leraar tot wanhoop.
De hele les blijft het rumoerig in de klas. Meneer P. weet veel van geschiedenis, dat heb ik al snel gemerkt. Maar hij slaagt er niet in zijn kennis over het voetlicht te brengen.
In de pauze kom ik hem tegen op de gang. Zo dicht mogelijk langs de wand schuift hij voorwaarts, de blik omlaag. Iets in mij brengt mij ertoe hem te groeten.  In mijn maag een gevoel dat ik niet kan duiden. Even slaat hij zijn ogen op en kijkt me aan. Twee seconden die in tijd bevriezen. Dan loopt hij door.

‘Hoe is het op je nieuwe school’ vraagt mijn opa bij mijn zondagse bezoek aan hem.
‘Wel goed, en we hebben een… een heel aardige leraar.’ Ik vertel mijn opa niet over de meisjes in de klas. Niet over dat knagende gevoel in mijn buik.
‘Hij heet meneer P. en geeft geschiedenis.’
‘En woont die leraar in M?’
Ik knik.
Dan blijkt dat opa meneer P. kent. Mijn grootvader werkt als boodschappenbezorger en komt ook bij meneer P. ‘Lange man, een jaar of vijftig? Doe je leraar maar de groeten van mij.’
Als ik die maandag in de pauze mijn belofte aan opa inlos, blijft meneer P. staan. Dicht langs de muur in de gang. ‘Oh dankjewel, dat doet me goed’ mompelt hij. ‘Meneer van den Bergh uit Weert, ja die ken ik wel. Is dat jou opa? Zo’n aardige man.’

In mijn schooltijd op de MULO zal ik meneer P. leren kennen als een veel te vriendelijke leraar, met zachte ogen vol ingehouden passie voor zijn vak. Een leraar die tijdens proefwerken, in een klas vol treiterkoppen in gebloemde jurkjes, de lessenaars langsloopt om te zien of een leerling hulp nodig heeft.
Een leraar die ik wil groeten, vier jaar lang. In de pauze op de gang.

In de jaren zestig hadden scholen nog geen antipestprogramma’s. Er waren geen logen of peuten waar leraren naar toe konden. Zij droegen hun lot in zwijgzaamheid. Elke morgen opstaan zodra het ochtendlicht meedogenloos hun slaapkamer binnendrong. Opstaan, aankleden en de weg naar school gaan. Vijf dagen per week.

In de jaren zestig sprongen leraren niet van daken. Wetend dat het niet op zou houden. Wetend dat niemand het zou stoppen. Geen hoofd van de school. Geen groetend tienermeisje in de klas.

Geplaatst in Boeken, proza en poëzie, columns, kinderen, literatuur, persoonlijk, Pesten, proza, Verhalen | Tags: , , , , , , | 7 reacties

Quote van de dag

Wat ís dat toch met die uitspraken van bekende Nederlanders? Hebben hun zielenroerselen meer gewicht omdat ze door BNners worden gequot? En moet ik mijn oren op steeltjes zetten zodra zij maar hun mond open doen?

14657392_596881060499272_6332324133843903009_n
Neem nou Astrid Joosten. Zij zit kennelijk niet met haar decolleté. Sorry hoor maar ik zie haar daar toch écht mee zitten!

14650169_596881093832602_3910821995558539340_nEn “diva” Brard die zich naakt voelt op het podium. Wat mij betreft is het een zegen voor de natie dat Patty geen praktische uitvoering aan die gedachte geeft. 
Los daarvan: Hoe moeten we onze Karin Bloemens aanduiden wanneer iemand als  la Brard het predicaat diva krijgt opgeplakt?

14570366_596881040499274_6139478702615493199_n
Maar dan Sylvie Meis. Mag het misschien in wat origineler bewoordingen dan het afgekloven “daar heb ik niets mee”? Ik vind dat toch echt wel een dingetje hoor!
Maar welk een levenswijsheid! Welk een cliché! Welk een open deur!
Waarmee we terug zijn bij de inkijk van Astrid Joosten. Die daar nog steeds niet mee zit.

Ze hoeven mij niet op te voeden, onze BNners. Laat ze maar gewoon hun werk doen. Hun tegeltjeswijsheden lap ik aan mijn laars. En daar zit ík dan écht niet mee.

Geplaatst in columns, literatuur | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Lijnen en glas

Onlangs bezocht ik in het Gemeentemuseum Den Haag twee exposities. Hieronder zet ik beknopt wat informatie neer die ik vond in teksten van het Gemeentemuseum Den Haag; ik wil vooral de foto’s laten spreken.
Wie meer informatie wenst kan die vinden onder de gegeven links.

Kijk! Glas

“Wat hebben Romeinse drinkglazen gemeen met de glazen die uit de glasfabriek in Leerdam rollen? Waarin verschilt Venetiaans glas van eigentijdse glaskunst? Associatief en spelenderwijs presenteert Kijk! Glas de unieke glascollectie van het Gemeentemuseum Den Haag. Zo’n 400 objecten tonen de diversiteit van het materiaal, en laten zien hoe de huidige generatie ontwerpers en kunstenaars voortkomt uit een rijke traditie.

Ontwerper Lenneke Wispelwey tekent voor de vormgeving van de tentoonstelling.”

Meer informatie via http://www.gemeentemuseum.nl/tentoonstellingen/kijk-glas

Nu t/m 12 maart 2017.
Bron: Gemeentemuseum Den Haag
Foto’s van getoonde werken: Ingrid van den Bergh.

The Curve paintings 1961-2014
Bridget Riley

“Bridget Riley (1931) staat bekend om haar kleurrijke doeken en optische effecten, waarmee ze een breed publiek voor abstracte kunst weet te interesseren. Ze maakt werk op het platte vlak, maar door de duizelingwekkende lijnen lijkt het op te bollen, te vervormen of te golven. Riley weet kleur en vorm, de traditionele ingrediënten van de schilderkunst, in strak georkestreerde bewegingen zo tegen elkaar uit te spelen dat de toeschouwer zich vaak overweldigd voelt. Ze behoort tot een van de meest beroemde kunstenaars van haar generatie.
Gemeentemuseum Den Haag heeft een bijzondere band met de ‘grande dame van de Britse schilderkunst’ en brengt deze zomer een bijzonder overzicht, met een focus op ‘de curve’, de golfbeweging die telkens terugkeert in haar carrière.”

Meer informatie via http://www.gemeentemuseum.nl/tentoonstellingen/bridget-riley

Nu t/m 23 oktober 2016
Bron: Gemeentemuseum Den Haag.
Foto’s van getoonde werken: Ingrid van den Bergh

Op één van bovenstaande foto’s uit de tentoonstelling KIJK! Glas staat een vaas afgebeeld in filigraantechniek. Tijdens het maakproces, als het glas nog heet en vloeibaar is, worden draden van hetzelfde materiaal, eventueel in een andere kleur, over de vaas gelegd. Door de lagen met elkaar te laten versmelten ontstaat het effect van filigraan.
Misschien vindt deze of gene het wat ver gezocht om via de lijnen die over de filigraanvaas lopen een brug te slaan naar het werk van Bridget Riley. Gun mij dan deze vorm van cirkeldenken; ik schijn er patent op te hebben.

Geplaatst in literatuur | 1 reactie

Dit scoot niet op

9-Boodschappen-scootmobiel

De vrouw in de scootmobiel is met veel moeite van de ene naar de andere kassa gelaveerd. Op advies van de kassière aan de “smalle” kassa. Als de vrouw haar voertuig bij de “brede” kassa heeft gepositioneerd zegt de kassière: Maar uw bóódschappen moeten aan déze kassa.

Ziet dat wicht niet dat de vrouw in een schootmobiel zit? Daar zit ze zeker niet voor niets. Terecht moppert de vrouw dat de winkels in onze *storp nauwelijks zijn aangepast aan scootmobielrijders. Ze zit er een beetje hulpeloos bij; de met pijn en moeite door haar verzamelde boodschappen onhandig op haar schoot.
Daar glijdt het pakje papieren zakdoekjes  de vloer op. Ik hef mijn hand met daarin het pakje tissues. Ik zou er zo eentje uit willen halen om denkbeeldige tranen mee weg te wissen.
Het meisje aan de smalle kassa geeft geen krimp, haar achterste lijkt met bizonkit aan haar stoel geplakt.
‘Zal ik de boodschappen voor u op de band zetten, mevrouw?, vraag ik voorzichtig.
’Nou graag,’ glimlacht ze me toe.

Na gedane arbeid kijk zet ik mijn eigen boodschappen op de band. Nadat de vrouw heeft  betaald (ze heeft van de kassière nog wel een plastic zakje gevraagd én gekregen) kijkt ze even opzij. Ze knikt me toe en zegt: ‘Het is uiteindelijk toch nog goed gekomen.’

Voor mij is deze conclusie het understatement van het jaar.

*Storp = in mijn woonplaats een tussenvorm tussen een  stad en een dorp

Geplaatst in Boeken, proza en poëzie, columns, literatuur, persoonlijk, proza | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Chrit Rousseau / Frans Budé: THUISKOMEN

 

20160713_115948-1.jpgin een verborgen schuur ligt nog wat zon van toen
Tekst op een plavuis in het Museum aan het Vrijthof
20160713_181116-1Afrikaanse vrouw met kip

Museum aan het Vrijthof eert de Maastrichtse kunstenaar Chrit Rousseau, vanwege het behalen van de 75-jarige leeftijd, met een overzichtstentoonstelling. De schilderijen en schetsen die de kunstenaar tijdens zijn buitenlandse reizen maakte staan centraal in deze expositie. Bekend en nieuw werk wisselen elkaar op verrassende wijze af. Rousseau staat bekend om zijn beweeglijke en vooral kleurrijke manier van schilderen en schetsen. Hij tekent bij voorkeur mensen in hun natuurlijke pose en portretteert wat zich in zijn omgeving afspeelt. Via zijn kleuren uit de kunstenaar zijn gevoelens. Zo schilderde hij een clown in felrode en -gele tinten, waarmee hij de angst voor een naderende operatie wilde verbeelden.
De Maastrichtse dichter Frans Budé schreef voor de werken enkele gedichten, te lezen in de expositiezalen.

20160713_140629.jpgWe komen met de regen. Op het Vrijthof passeren we de voorbereidselen voor buitenlucht-optredens van André Rieu. In het museum  worden we aangesproken door één van de gastvrouwen van het museum. Al snel heeft ze onze volledige aandacht. Ze vertelt ons o.a. dat de kunstenaar vandaag aanwezig is, we zullen hem in de ruimtes wel tegenkomen. Al snel kunnen we aansluiten bij een groepje.
De kunstenaar vertelt over zijn werk, bijvoorbeeld dat hij soms in series werkt: eerst een schets, vervolgens  een tekening  én daarna een schilderij met hetzelfde onderwerp.

collage oude manOude man in India

Treffend bij dit onderwerp is de suggestie van het kleed van de man. Als wij de kunstenaar vertellen dat ons dit is opgevallen schaart hij dit onder “de kunst van het weglaten.”

Bij dit onderwerp schreef Frans Budé een gedicht.

20160713_122544Drieluik Kruisherenkerk, 2000

Een opdracht van de Gemeente om sponsoring bij de verbouwing te bevorderen.
Volgens de kunstenaar symboliseert de druipende verf dat de kerk “under construction” is.

20160713_125832-1Vasteloavend, met gedicht van Frans Budé

20160713_125840-1-1.jpg

20160713_120955-1Papavers (van een tweeluik), 1997
20160713_120940-1
Anemonen, 1998
Gezondheidszorg in Tibetgezondheidszorg in Kenia

Er is nog veel meer moois te zien in deze tentoonstelling, die ik van harte kan aanbevelen. Niet in de laatste plaats vanwege de gedichten van Frans Budé.

20160713_132302-1-1.jpgAls we na afloop in het Grand Café wat eten treffen we daar opnieuw de kunstenaar. Op verzoek zet hij een handtekening op de afbeelding van één van zijn schilderijen: De Afrikaanse vrouw draagt in de ene arm haar zieke kind. In de andere houdt zij een kip, honorarium in nature voor de geneesheer.

We gaan met de regen. Passeren opnieuw de voorbereidselen voor het concert van André Rieu. Onze hoofden vol indrukken. Daar is geen ruimte voor klank, behalve dan die van de kleuren die nagalmen in ons hoofd.
We haasten ons niet alleen vanwege de regen; nog vóór het muziekspel zijn we de stad uit.

Museum aan het Vrijthof, Maastricht
12 juni – 31 augustus 2016

Informatie/teksten: Museum aan het Vrijthof
Gedicht: Frans Budé
Overige teksten: Ingrid van den Bergh
Foto’s: Harry Muermans en Ingrid van den Bergh.

Geplaatst in beeldende kunst, Cultuur, literatuur | Tags: , , , , , , | 6 reacties

Blond

De natuurlijke kleur van mijn haar kan je gerust gemengd noemen. Aan de voorkant mooi licht, zilver bijna. De rest een mengelmoes van grijs tot een ondefinieerbaar bruin. Lelijk dus.
Een hele uitdaging voor mijn kapster en heel spannend voor mij.
Om het resultaat te vieren zet ik hier mijn eerder geschreven verhaal “Blond” voor jullie neer. Een enkeling heeft het misschien al gelezen, maar na enig herschrijven is het toch weer nieuw. Nét als mijn hoofd.

20160606_165053-1-1-1Het meisje achter de boodschappenband begint rood aan te lopen. Al minstens twee minuten probeert ze het probleem op te lossen: een vastgelopen kassa. Uiteindelijk grijpt ze de intercom: ‘Attentie, mijnheer Pieters, kassa vier alstublieft!’

De bedrijfsleider, klein van stuk, zwart geverfd haar, onderscheidt zich van het overige personeel door zijn bruine pak en dito stropdas. Met zijn enorme buik wringt hij zich voor het meisje langs om het probleem te verhelpen. Zijn gezicht in de plooi van belangrijk.
‘Dat mag nu toch niet meer voorkomen, je werkt hier onderhand al een jaar.’
‘Ik zal de volgende keer beter opletten, mijnheer Pieters.’

‘Dat is je geraden.’
Met één oog op het meisje, het andere op mij, geeft Pieters nog een sneer na: ‘Maar ja, blond, hè.’ Haar blos verspreidt zich door de winkel. Het meisje is er zich zichtbaar van bewust, dat de opmerking van haar chef geen verwijzing is naar een lekker potje bier of een bekend merk serviesgoed. Naar mijn smaak hebben we hier van doen met een schoolvoorbeeld van belediging, in dit land gehuldigd vanwege de vrijheid van meningsuiting.

Pieters haalt een sleutelbos tevoorschijn, rommelt wat aan de kassa. ‘Goed kijken’ voegt hij het meisje toe, ‘zó doe je dat, piece of cake.’ De hele rij achter de kassa kan meegenieten van zijn egotrip.
Ik zet mijn volle boodschappentas in de kar en haal mijn pinpas tevoorschijn. Pieters staat nog wat te dralen, op zoek naar een volgend slachtoffer zo lijkt het. Dan laat hij zijn sleutels vallen, in mijn volle shopper.
Ik doe een stap in zijn richting, kijk op hem neer terwijl ik een haarlok om mijn vinger draai. ‘Blond zei je toch, hè!’ De man moet op zijn tenen staan om mij aan te kijken. Zijn varkensoogjes proberen indruk op me te maken. Ik geef geen krimp, mijn gezicht in de plooi van Kom maar op. Ik schuif de tas in zijn richting en wijs op de inhoud. Pieters verbergt zijn gemoedstoestand achter een uitgebreide inspectie van mijn koopwaar; uit zijn eigen nering.
‘Daar liggen ze’, grijns ik, ‘dáár, tussen de asperges en de aardbeien.’ Zijn worstvingers graaien; ik ruik zijn zweet.

De weg naar mijn fiets leidt langs het winkelraam. Breder dan hij lang is staat daar de bedrijfsleider mij na te kijken. Niet gehinderd door een gezonde dosis leedvermaak zwier ik mijn boodschappen omhoog  om ze in de fietstas te laden. Dan zakt de shopper door zijn hengsel; ik hoor de knal van mijn fles olijfolie op het trottoir.

Zo snel ik kan prop ik alles in de fietstas en stap op. Ik moet nog een keer langs dat raam. Mijn rechtervoet schiet van de trapper, de fiets slingert van links naar rechts, ik houd hem maar nauwelijks in bedwang. Ik voel zijn ogen in mijn nek, het leedvermaak dat van hem afdruipt. Eindelijk is daar de bocht van de weg. Ik recht mijn rug. In alle vrijheid spui ik, hardop, mijn mening over mijn eigen gezichtsverlies. Mijn wangen warm, mijn gezicht in de plooi.

Geplaatst in columns, literatuur, persoonlijk, proza | Tags: , , , , , | 2 reacties